Reizen door Incaland

Fragmenten uit een reisjournaal – deel 3: Peru, Bolivia

Tekst en foto's: Harry Fitié en Marleen Schreuder

Toen Europa nog in de middeleeuwen leefde – we schrijven eerste helft veertiende eeuw – begon een klein volk in Latijns-Amerika aan een ongekende uitbreiding: de Inca’s. Hun stamgebied lag in Cuzco, een plaats in het huidige Peru. Het stadje heeft grandeur en toont de sporen van een groots verleden; dat blijkt ook uit de architectuur.

Op het toppunt van hun macht zijn er niet meer dan 40.000 Inca-indianen geweest. Maar ze veroverden een gebied met tien miljoen inwoners. Het liep van het zuiden van Colombia, via Ecuador, Peru en Bolivia door naar Argentinië en Chili; uiteindelijk een rijk van 4000 km lang. Dat nu is ons reisgebied voor deze etappe.

Indrukwekkend opgebouwd rijk

De ruggengraat van het territorium werd gevormd door de Andes. Grote delen van het gebied liggen op een hoogte van 4000 m. Diepe kloven doorsnijden de hoogvlakte. En daarnaast zie je altijd wel een paar grote jongens, bergen en vulkanen die met hun ruim 6000 m overal boven uitsteken. Naar onze maatstaven is het een onherbergzaam, moeilijk toegankelijk gebied. Maar de Inca’s hebben er een geoliede samenleving van gemaakt. En dan te bedenken dat ze het wiel niet kenden en ijzer ook niet. Er was geen geschreven taal. Hun economie was gebaseerd op ruilhandel, geld kenden ze niet. Hun lastdieren hadden beperkte mogelijkheden als ze het vergelijkt met paarden of kamelen. Met deze ‘uitrusting’ vestigden ze een rijk dat op zijn hoogtepunt het grootste was van de toenmalige wereld. Als je door het oude Incarijk reist, kun je niet anders dan bewondering hebben voor hun prestaties. Te meer als je tijdens de reis stuit op enorme verschillen in klimaat, bodemgesteldheid en hoogte, zelfs op kleine afstand.

Offer aan Moeder Aarde

Het overgrote deel van de bevolking hier is katholiek. Dat neemt echter niet weg dat nog veel oude indiaanse gebruiken in zwang zijn. Bij toeval zijn we daar getuige van als we naar een mooi uitkijkpunt rijden. Bij een mirador ontmoeten we een indianenfamilie die voorbereidselen treft voor een offer aan Pachamama, Moeder Aarde. Het is een schitterende omgeving. We kijken op een hoogte van circa 4000 m uit over een vruchtbare vlakte die een paar honderd meter lager ligt. Dit zijn stadsindianen; gefotografeerd worden vinden ze geen probleem, ze nodigen ons zelfs uit om toe te kijken. De man bouwt een houtstapel. Hij is duidelijk de leider van het ritueel. Op twee vellen papier ligt kleurig snoepgoed. Op elk blad ligt een dood lamakalfje. Pachamama is de belangrijkste god van de indianen. Ze is in eerste instantie een beschermende god. Maar daar wil ze wel wat voor terug hebben. Een deel van de welvaart die men verwerft moet aan haar worden geofferd. Hoe groter het offer, des te meer geluk en rijkdom te verwachten valt. In dit geval bestaat het offer uit snoepgoed, cocabladeren, kruiden, bier en puur alcohol. En natuurlijk de dode lamakalfjes, waarschijnlijk ’s nachts geboren en vervolgens doodgevroren.


Een bijzonder ritueel

Als de brandstapel klaar is wordt op elke hoek van een denkbeeldig vierkant een fles bier geplaatst. De man richt zich op en kijkt met gesloten ogen over de vlakte. Hij heft zijn armen omhoog en vraagt de godin het offer te aanvaarden. De lama’s worden versierd met zilveren strookjes. Cocabladeren en kruiden worden toegevoegd. De man besprenkelt het offer met pure alcohol. Daarna brengen de vrouwen het dubbele offer naar de brandstapel. Ook daar gaat het optuigen verder. De lama’s krijgen een fleurig koord om de hals en worden rechtop gezet. Vervolgens krijgt elke volwassene een fles alcohol in handen. Ze cirkelen rond de brandstapel en besprenkelen het offer. Dan is het zover. De man vraagt opnieuw of Pachamama het offer wil aanvaarden en steekt de nu van alcohol doortrokken brandstapel aan. Dat gaat zonder moeite. Nadat de bierflessen zijn geschud wordt de inhoud spuitend aan de aarde geofferd. Men neemt afstand en kijkt toe hoe de vlammen het offer langzaam verteren. De plechtige sfeer is inmiddels doorbroken, er wordt gelachen en er worden foto’s gemaakt. Dat is het mooie van reizen: we rijden naar boven voor het uitzicht, en worden verrast met een interessant ritueel.


Vergane glorie

Een bijzondere attractie tijdens de reis zijn de spooksteden, die geheel of gedeeltelijk zijn ontvolkt. Het mechanisme is altijd hetzelfde: er wordt een rijke mijn ontdekt in een afgelegen gebied, men bouwt een infrastructuur zoals huizen voor de mijnwerkers en een spoornet om het erts af te voeren, en als de mijn raakt uitgeput, ontvolkt de streek en raakt alles in verval. Maar door het droge klimaat blijft een en ander heel goed bewaard. We bezoeken Pisagua in Noord-Chili, ooit een belangrijke haven voor de afvoer van erts, nu een vissersplaatsje in verval. De weg is steil, hoog en smal; je moet hier geen tegenligger tegenkomen. Het moet ooit een bloeiend stadje zijn geweest. Daaraan herinneren de koloniale huizen en het grote theater. Dat dateert van 1882 en heeft een schitterende voorgevel. Het dak en de zijgevels van het theater zijn bedekt met golfplaten met grote gaten. Binnen is het complete interieur nog aanwezig maar de tand des tijds is goed zichtbaar. Het beschilderde plafond bladdert en komt op meerdere plekken naar beneden. De coulissen hangen scheef en vertonen scheuren. De wind waait door het gebouw dat aan alle kanten kiert. Je kunt nog wel zien dat het vroeger allure had. Nu wonen in het dorp nog driehonderd mensen waarvan negentig kinderen. Die kunnen met zijn allen in het theater. En dan is er nog plaats over!


Zwaar terrein

De hoofdwegen in Zuid Amerika zijn in het algemeen heel behoorlijk. Maar als je van de gebaande paden afwijkt, kom je vaak voor verrassingen te staan. Zo kun je verzeild raken op een smalle eenbaansweg langs ijzingwekkende afgronden van wel duizend meter diep, zoals de weg door de Cañon del Pato (Eendenkloof) in Peru. Bij elke bocht en elke tunnel gaat er een schietgebedje omhoog: alsjeblieft geen tegenligger. Of de weg door de Salar de Hombre Muerto (Zoutvlakte van de Dode Man) in het noorden van Argentinië. Die laatste tocht heeft veel van de auto gevergd. Om precies te zijn, aan het einde van de rit waren de achterste schokbrekers naar de filistijnen en de voorste in dubieuze staat. Dat zit zo.

We rijden door de Altiplano, de hoogvlakte van de Andes. De voorgenomen tocht voert circa driehonderd kilometer over een gravelweg door een zeer onherbergzaam gebied. Halverwege is een mijn waar onder andere lithium wordt gewonnen. Behalve de mijnwerkers woont hier geen mens. De weg loopt op een hoogte van ruim 4000 m. Behalve gras groeit hier vrijwel niets. Regelmatig kom je de kleine kameelachtige vicuñas tegen; de mannetjes vaak alleen, de familie in een groep. Bij de Salar de Hombre Muerto is een kleine begraafplaats. Je vraagt je af wie hier zo van God en alle mensen verlaten zal liggen.

De weg loopt door het zoutmeer, hobbelig en over keien en zoutklonten. Niet fijn rijden, maar nog wel te doen. Halverwege het meer is de afslag. Uit de verte ziet het donkere wegdek er goed uit. Dat blijkt tegen te vallen. Er zitten gaten in de weg van meer dan een halve meter diep. De auto stuitert over de dijk. Het vraagt om stuurmanskunst. Je moet vaart houden maar tegelijkertijd moet je er voor zorgen niet in een gat terecht te komen. Al kreunend en met af en toe een onvertogen woord vorderen we langzaam. Dan ontwaren we voor ons een personenwagen die … stil lijkt te staan? Inderdaad, de personenauto komt nauwelijks vooruit. We moeten afremmen. Dan gaat het verkeerd en komen onze beide achterwielen in een groot gat terecht. In de personenwagen zitten drie Argentijnse jongens die al vier uur bezig zijn om stukje bij beetje verder te komen. Ze vullen de gaten in de weg met stenen, rijden een tiental meters verder en graven de stenen weer op voor het volgende stuk. We proberen met zijn allen onze auto vooruit te duwen maar de wielen draaien door en we komen alleen maar vaster te zitten. Er zit niets anders op dan de auto omhoog te krikken en onder de wielen stenen te leggen. We vinden opnieuw uit hoe de krik werkt en de auto komt langzaam omhoog. Eerst de rechterkant, zonder grote problemen. Dan de linkerkant, dat gaat minder goed. De krik staat scheef en de auto maakt een schuiver. Ook de rechterkant komt hierdoor half op de onderliggende steen te staan. We hebben geen keus en moeten een poging wagen. Vol gas, de auto springt omhoog, maakt een zwieper, maar komt met vier wielen terecht op een vlak stuk grond. Opgelucht halen we adem. Slalommend langs de gaten halen we de personenwagen in die alweer lijkt stil te staan.

Van de Argentijnse jongens horen we dat de weg stopt. Zij kunnen niet verder rijden. Een paar meter bij ons vandaan ligt een nieuwe weg, maar er is geen oprit. Het talud is zeker twee meter hoog, daar komen we nooit op. We zullen terug moeten, er is geen andere optie. We spreken af om de volgende morgen vroeg samen terug te rijden. En dan gebeurt er een klein wonder. Het is al donker als er in de verte twee koplampen op de zoutvlakte opdoemen. Het zijn mijnwerkers. En ze willen ons helpen. Ze weten een plek waar we de nieuwe weg op kunnen. In het pikdonker rijden we achter ze aan, de witte vlakte spookachtig verlicht door de koplampen. De hele operatie duurt misschien een half uur. Zelf hadden we dit nooit kunnen vinden. We bedanken onze redders hartelijk en nemen afscheid.


Hobbels in het verschiet

We zitten nu aan de noordkant van het Incarijk, dicht bij de grens tussen Peru en Ecuador. Het plan is om via Colombia en de Midden-Amerikaanse staten naar Los Angeles (VS) te rijden. Maar daarvoor zijn nog wel twee belangrijke hobbels te nemen. De eerste is het ontbreken van een weg tussen Colombia en Panama, de zogenaamde Darien Gap. We zullen de auto dus moeten verschepen. De tweede hobbel is de politieke situatie in Nicaragua. Het is er zeer onrustig. We gaan bekijken hoe we deze hindernissen kunnen nemen, of omzeilen.

Laat een reactie achter